Lies Declerck over grenzen, werk en familieresidenties

freshness:

Ik las onlangs dat we grenzen vaak benaderen als iets wat dingen van elkaar scheidt, maar dat je er evengoed naar kunt kijken als iets wat dingen met elkaar verbindt. Ik wil het hier liever hebben over grenzen als connector dan als obstakel. Ik wil het over grenzen hebben als iets wat iets mogelijk maakt en dat 'iets' is 'het andere'. Al bij al gaan er nu zoveel stemmen in zoveel domeinen op die pleiten tegen de voortschrijdende uniformiteit en voor meer diversiteit – meer diversiteit in onze zaden, in onze tomaten, in ons landschap. Onlangs zag ik een kinderboekje met modellen van verschillende automerken over de tijd heen en wat zo opviel, was hoe ze steeds meer op elkaar waren gaan lijken, steeds minder van elkaar te onderscheiden waren in hun vormgeving. In een tijd die door en door geïndividualiseerd is, lijkt het er dus toch op dat we meer en meer op elkaar zijn gaan lijken. Het 'profiel' waar in een vacature naar gezocht wordt, is doorgaans dat van een gepassioneerd iemand, dynamisch en flexibel, daadkrachtig en efficiënt, een teamplayer en iemand die zelfstandig kan werken, iemand die initiatief neemt, maar eens de job goed en wel begonnen is, toch vooral in de mal die de organisatie voorgegoten heeft – in de 'taakomschrijving' – moet passen. Ik wil het thema grenzen inzetten om het te hebben over wat mij en jou niet zozeer van elkaar scheidt, maar van elkaar onderscheidt, over ons aller diversiteit.

Ik kan me niet echt vinden in het profiel dat ik zojuist schetste en dat ieder van ons zo goed kent uit jobadvertenties. Ik heb veel nood aan alleen-zijn, ben meer een denker dan een doener, ik ben traag. Op papier ziet mijn loopbaan er ok uit, maar voor mij heeft hij altijd gevoeld als een wankele realiteit. Ik durf dat zo te zeggen, omdat ik weet dat velen onder jullie daar minstens iets van herkennen.

En nu, het goede nieuws. :)

Ik heb meegemaakt hoe het anders kan, hoe je in werk verbonden kunt zijn met een organisatie vanuit je eigen inbreng en hoe er daarbij geen lijn wordt getrokken tussen je werk en je gezinssituatie, in mijn geval, tussen mijn werkende ik en mijn moederende ik – want 'moederen' valt zoals geweten officieel niet onder de categorie 'werken'.

Met FoAM kwam ik in contact via Maja, die er een van de trekkers van is. Het is voor FoAM dat ik nu praat en de foto's die jullie zien komen ook allemaal uit FoAM's fotoarchief. FoAM is een organisatie met verschillende 'hubs', waaronder één in Brussel, die de grenzen tussen de huidige situatie en een mogelijke, wil laten vervagen. Voor FoAM is zich voorbereiden op de toekomst een vorm van kunstbedrijf. Ze omschrijft zichzelf als een netwerk van transdisciplinaire labs voor speculatieve cultuur.

Ik heb al onder verschillende gedaantes voor FoAM gewerkt, ik ben ingegaan op voorstellen die FoAM me deed – zoals deze lezing geven – en FoAM is ingegaan op voorstellen die ik zelf deed. Onder dat laatste valt het feit dat mijn tweejarige zoon en ikzelf een week in hun kantoor verbleven om voor hen en hun gasten te koken. Daarmee zetten we het hele gebeuren van een residentie – waarbij het de organisatie is die voor de residenten zorgt – op zijn kop. Tussendoor las ik Cooked, een boek van Michael Pollan, en liet er citaten uit na in FoAM's The Libarynth, hun online en gedeelde 'notitieboek'. Een van de citaten luidt als volgt: In een wereld waar zo weinigen onder ons zich nog verplicht zien om te koken, is ervoor kiezen om het toch te doen, een vorm van protest tegen de specialisatie, tegen de complete rationalisering van het leven. (...) Koken doet meer dan planten en dieren transformeren, het verandert ons ook, van loutere consumenten in producenten.

Ons verblijf paste in FoAM's format van familieresidenties, waarbij niet alleen de partner van een kunstenaar welkom is, maar ook de kinderen, vanuit de idee om te zoeken naar manieren waarop werk en leven geïntegreerd kunnen verlopen. Mijn job die week was bijzonder: hij voorzag in een logeerplek; hij vond niet plaats tussen welbepaalde tijdstippen en de tijd werd niet geteld; hij sloot mijn kind er niet van uit; hij bracht van meet af aan verbindingen met zich mee en was dus van bij het begin niet iets van mij, maar iets wat gedeeld was, iets waar anderen op inpikten en aan bijdroegen; het was niet duidelijk wat werk was en wat niet. Alles was werk – koken, poetsen, spelen, lezen, schrijven, praten, luisteren, met de trein reizen, gasten ontvangen, op bezoek gaan, alle voorstellen die ik initieerde of waar ik op inging. En tegelijkertijd was niets van dat alles 'werken'. “Het mag leuk blijven”, zoals Rasa zei. In zo'n situatie maakt de non-actie, de verpozing, het stilstaan en terugplooien deel uit van dezelfde flow als het initiatief en de daadkracht. FoAM's nieuwe project Doing Nothing past in diezelfde filosofie.

Het meest opmerkelijke aan de job was misschien nog het vertrouwen dat alomtegenwoordig was en, in dezelfde lijn, de stimulans om vertrouwde terreinen te verlaten – koken, moet je weten, is niet bepaald mijn dada, terwijl er bij FoAM een schat aan kennis en ervaring ligt wat voedsel betreft. FoAM en ik met hen, is ervan overtuigd dat niet de specialismen ons terdege op de toekomst voorbereiden, maar juist de generalismen en meer generalist word je door, welja, grenzen te verleggen.

- uit de lezing gegeven tijdens Pecha Kucha in Gent, in september 2013