De praatappel

freshness:

Dit jaar heb ik verschillende groepsgesprekken gevoerd na een uiteenzetting over een filosoof of een gedachte. „Ik zou dat wel eens met kinderen willen doen”, zei ik tegen Rasa. „Dat treft”, antwoordde ze. Ze had zelf al een traject doorlopen met een klas elfjarigen, rond kunst-in-de-keuken, en binnenkort kwamen naast die klas nog twee klassen uit een andere school langs. Een vijftigtal kinderen verwachtte ze. Patries zou al een creatief atelier met ze houden - en o.a. placemats met ze maken, en Rasa zou met ze koken. Zou ik tussen dat ‚doen’ met ze willen ‚denken’? Ik antwoordde prompt: ja.

We werkten met een doorschuifsysteem, zodat elk ‚atelier’ een veertigtal minuten duurde. Ik had wat dingen voorbereid. Was het te veel, te weinig? Dit was springen. 

Onderweg naar FoAM had ik nog snel drie appelen gekocht, ‚praatappelen’. Ik gaf ze aan een kind in de kring. „Wat is dit?”, vroeg ik. Het eerste antwoord was in elke groep het meest voor de hand liggende: „een appel”. Toen ik de appel aan iemand anders gaf en de vraag herhaalde, reageerden de kinderen verbaasd. Dit was toch een appel en dat had net iemand toch al gezegd? Eén groep volhardde in dat ene antwoord: een appel is een appel is een appel. Een andere groep begon eigenschappen te ontwaren: rond, rood, eetbaar enz. En weer een andere groep liet zijn fantasie de vrije loop en sloeg aan het associëren: een golfbal enz. Evenveel manieren om met zo’n persistente vraag om te gaan.

„Hier is iets geks aan de hand”, zei ik, „Hebben jullie dat gemerkt? Deze appel doet praten en zet je zo aan het denken.” De appel is performatief, hij werkt. En zo werkten we: wie de appel vasthoudt, heeft het woord.

Vanuit de vraag wat eten is, waaierden de gesprekken verschillende kanten uit. We hadden het over eten als substantief (als voedsel) en als werkwoord (als activiteit), over drinken en eten, over geteeld en gekocht eten, over organisch en synthetisch eten, over alleen en samen eten, over koken. Dat we het over koken zouden hebben, had ik niet voorzien. Ik dacht dat deze kinderen te jong waren, maar daarin bleek ik me te vergissen. Mijn veronderstelling berustte op niets dan projectie; als kind werd ik helemaal uit het kookgebeuren geweerd. Hier zaten best wel wat kinderen die thuis (mee)koken. Een jongen wilde vertellen hoe hij pizza maakt en terwijl ik verwachtte dat hij het over diepgevroren kant-en-klare pizza zou hebben, legde hij uit hoe hij het deeg uitrolt, er tomatensaus op uitsmeert, daar groenten op legt enz. Het stilst werd het toen we het erover hadden dat we zelf eetbaar zijn, zelf voedsel zijn, niet alleen in het weinig waarschijnlijke geval dat we een kannibaal tegen het lijf zouden lopen, maar ook voor het zekere geval dat ons lijf een lijk wordt.

Tijd voor iets anders. Ik liet de kinderen een van de foto’s uitkiezen die ik aan de muur had gehangen. Ze kwamen uit een boek (Planeta afamat - Planeta habriento) waarin huishoudens van over de hele wereld gefotografeerd zijn in hun huiselijke omgeving, terwijl hun eten van één week voor hen uitgestald staat of ligt. De meeste kinderen kozen voorspelbaar voor de keuken uit de Verenigde Staten of die uit Duitsland, met veel eten op tafel en veel pizza. Een jongen koos de foto die in Tsjaad is genomen, omdat hij naar eigen zeggen nieuwsgierig was naar dat eten, dat hij niet kende. Hij zou het wel eens willen proeven.

Vanuit de coachingruimte waar we ons gesprek hielden, is er een raam dat uitkijkt op de ruimte een verdieping lager. Terwijl we met de laatste groep ons gesprek over eetculturen aan het afronden waren, riepen de kinderen elkaar aan het raam. Beneden was een andere groep de ‚tafel’ aan het dekken. „Oh nee, kijk, we eten op de grond!” Ze klonken verbouwereerd. Er waren tafellakens op de vloer neergelegd. Het eten dat ze hadden helpen maken - chili sin carne met zwarte chocolade en fruitsla als dessert - was klaar.